Ik ben zangeres geworden, omdat…..

In onze familie werd eigenlijk altijd muziek gemaakt, niet professioneel, maar puur om het plezier van het samen muziek maken. Zingen was voor mij van kinds af aan dus iets heel normaals en vanzelfsprekends.

Toch heb ik in eerste instantie voor een medische studie gekozen – biologie en scheikunde hadden altijd al mijn interesse -, en heb aansluitend 5 jaar als microbiologisch analiste op een laboratorium gewerkt. …… mijn zangtalent maakte wel dat ik daar als enige met de radio mocht meezingen!

Maar ik heb wel altijd in koren gezongen. En toen ik een keer tijdens een kerstconcert een solo mocht zingen, kwam een professionele zangeres naar me toe, ze raadde me met klem aan toch eens op conservatoria voor te zingen, om te onderzoeken waar mijn stem me kon brengen. Samen met haar heb ik me grondig voorbereid, vooral op muziektheoretisch gebied moest het nodige worden bijgespijkerd. Een paar maanden later werd ik op al de scholen waar ik voorzong toegelaten. Ik heb toen voor het Sweelinck Conservatorium in Amsterdam gekozen, en bij Charles van Tassel mijn zangopleiding genoten.

Mijn muzikale ontwikkeling werd vooral gevoed door….

….mijn familie: mijn altijd met vriendinnen musicerende oudere zus, mijn orgelspelende moeder en mijn vader die in het kerkkoor zong. Mijn vader heeft een zeer krachtige maar warme en ronde stem, hij had zeker professioneel zanger kunnen worden, ware het niet dat de naoorlogse omstandigheden dat niet mogelijk maakten.

Mijn oudere zus heeft kerkmuziek gestudeerd en werkt tegenwoordig als organist en pianolerares in Noorwegen. Maar toch wilde ik niet direct in haar voetsporen treden en leerde daarom een ‘echt’ beroep.

Toen ik 8 jaar was begon ik met dwarsfluitles, en begon al snel in kleine ensembles of orkesten mee te spelen. Heb op die manier veel verschillende muziekstijlen leren kennen, maar merkte ook daar weer wat een plezier samen muziek maken geeft. Zo was muziek maken voor mij een pure hobby, een genoegen, nooit een plicht.

Charles van Tassel was niet alleen mijn zangleraar, maar misschien nog wel meer mijn coach, op velerlei gebied. Hij moedigde me ook altijd aan bij andere leraren op onderzoek uit te gaan, om andere methodes, andere technieken te leren kennen, en zo precies die weg te vinden, die voor mij het beste was. Later heb ik mij nog verder ontwikkeld in Amerika, Engeland en Duitsland, met pedagogen als Marlena Malas, Diane Forlano en Abbie Furmansky.

Mijn muzikale interesse…

….vooral – maar natuurlijk niet alleen maar – barokmuziek!
De muzikale taal van J.S. Bach was voor mij echt een ‘eye-opener’. Bij zijn muziek voelde ik me meteen thuis, ook al wist ik toen nog nauwelijks wat zingen was. Bach schrijft zo organisch, het voelde voor mij als het spreken van een vreemde taal, die ik onbewust al kende, mijn muzikale moedertaal zogezegd. Daarom is Bach voor mij ook zo intuïtief te zingen. Van daaruit ontdekte ik de vele facetten van de barokmuziek, de muzikale stijl die intussen toch wel als het zwaartepunt van mijn carrière kan worden betiteld.

Maar ik zing natuurlijk ook liederen of later repertoire, zoals bijvoorbeeld de solo uit Mahler’s 4e Symphonie: het is een speciaal gevoel je door zo’n groots orkest gedragen te weten, en met je eigen stem daar onderdeel van te worden.
Alles bij elkaar genomen ontdek ik telkens weer, dat vooral muziek waarin tekst en tekstbehandeling op de voorgrond staat mij aanspreekt.

Natuurlijk hou ik ook van opera. Als alles klopt is het een van de mooiste muziekvormen die er bestaat, zingend bewegen en acteren is een bevrijdende ervaring! Geen andere vorm is zo veelzijdig en zo ambivalent. Wanneer de solisten en de rest van het team in een mooie en harmonieuze regie samenkomen is dat een gelukzalige ervaring.

Maar een operaproductie kan ook extreem zwaar zijn: als het onderling niet goed klikt kan het een zeer eenzaam proces zijn, en is het moeilijk de juiste modus operandi te vinden: Opera is een van de mooiste, meest voldoening gevende maar ook een van de veeleisendste kunstvormen voor ons zangers!

Op het toneel ontdek ik…..

….mijzelf steeds weer opnieuw!
Onze belangrijkste taak is het publiek d.m.v. mijn eigen interpretatie en uitstraling te bereiken, te overtuigen, te boeien. Dat verschaft me nog steeds ongelofelijk veel plezier en gebeurt eigenlijk voornamelijk intuïtief. Op het moment dat ‘Zangeres Johannette’ het podium betreedt, wordt alle nervositeit en opwinding in positieve energie en expressie omgezet. De ‘privé Johannette’ zou ik meer als introvert en terughoudend omschrijven.

Dit fenomeen werd mij al op mijn allereerste en natuurlijk zeer spannende voorzangavond op het conservatorium duidelijk. Ook al was ik zo nerveus dat ik überhaupt niet tot zingen in staat dacht te zijn, op de bühne leek ik soeverein, en voelde ik mij – ook tot mijn eigen verbazing- compleet in mijn element. Ook deze ervaring heeft er toe bijgedragen dat ik uiteindelijk toch voor een zangcarrière heb gekozen.

Het meest verheug ik me op…..

….het meer en meer ontwikkelen en uitdragen van mijn eigen projecten.
Het oprichten van mijn eigen ensemble ‘het Tulipa Consort’ in 2013 is zo’n stap, en heeft zich ondertussen al als een juiste beslissing bewezen.

Natuurlijk hoop ik zo lang mogelijk te kunnen zingen. Omdat ik relatief laat begonnen ben met dit vak, en meteen vanaf het begin zorgvuldig met mijn instrument ben omgegaan, ziet dat er gunstig uit. Met een ensemble als het Tulipa Consort, maar ook andere projecten of zelfs misschien met een eigen serie of festival, zie ik een kans mijn kunst, mijn overtuiging bij steeds meer mensen onder de aandacht te brengen. Ook het geven van masterclasses geeft daar mogelijkheden toe.

bij het lesgeven kan ik….

… jonge zangers in mijn eigen ervaringen laten delen, maar ook mijn stijl van zingen onderwijzen, en mijn opvattingen voor zingen en muziek in het algemeen.
Zingen is voor mij iets instinctiefs, en heeft, net als spreken, iets vanzelfsprekends. Zaken als techniek, of ‘het zitten van de stem’ lijken minder belangrijk.

In mijn lespraktijk ga ik uit van het spreken en de spraak. Ik probeer deze natuurlijke manier van zingen over te dragen door een vanzelfsprekendheid in het ademen en fraseren na te streven, en het intellect daar zoveel mogelijk bij uit te schakelen. En daarmee zijn we weer bij de barokmuziek en bij Bach. Door mijn expressie, mijn kleuren en fraseringen letterlijk vanuit de tekst en Bach’s muzikale vertaling daarvan te laten ontstaan, ontstaat er een vrijheid in het gebruik van de stem die als vanzelf antwoord geeft op bepaalde technische en muzikale vragen, en dan niet alleen bij het zingen van Bach, maar ook voor het zingen in het algemeen. Geheel nieuwe expressiemiddelen kunnen worden ontwikkeld, je kan op een nieuwe manier met de stem omgaan, op een gegeven moment merk je dat oude vertrouwde muziekstukken weer als nieuw gaan klinken, alsof je ze voor de allereerste keer hoort of zingt!

Carrière betekent voor mij….

…ondertussen iets heel anders dan aan het begin van mijn zangloopbaan.
Aan het begin van de carrière is het ’t hoogste doel voor elke zanger met zoveel mogelijk dirigenten en orkesten op zoveel mogelijk, het liefst internationale podia in zo’n breed mogelijk repertoire op te treden. Het gevaar daarvan is de eigen muzikale authenticiteit uit het oog (en oor) te verliezen), en zichzelf erbij kwijt te raken.

Hoe langer ik in dit beroep werk, hoe belangrijker ik het ga vinden me op mijn eigen individuele ‘muzikale moedertaal’ te concentreren, en daar goed zorg voor te dragen. Ik beschouw mezelf vooral als (nederige) intermediair tussen componist en de toehoorder. Het gaat niet over mij, het gaat over de muziek.

Op deze manier betekent carrière voor mij ook het me meer en meer beperken tot en het opsporen van repertoire waarmee ik mijn artistieke doel het best kan bereiken.

Naast de muziek zijn belangrijk voor mij….

…. wandelen, fietsen, bergen, Waddeneilanden, een zijn met de natuur.
We zijn daarom een paar jaar geleden naar het Oosten van Nederland verhuisd naar een prachtig Hanzestadje. Hier zijn we omgeven door natuur, voelen de vrijheid en vrijgevigheid van die natuur. Het geeft ruimte tot zelfontplooiing, ideeën en gedachtes kunnen we de vrije loop laten – zelfs als je niet dagelijks tijd hebt een wandeling te maken….

Het huidige culturele klimaat zie ik….

…. toch voornamelijk positief!
in het begin was het verontrustend, leek de algemene crisis en de daaropvolgende bezuinigingen de bestaande structuren in de culturele wereld zodanig te verstoren, dat alles instortte. Maar nu doen zich, juist ook daardoor, nieuwe ontwikkelingen en mogelijkheden voor. Het is helemaal niet zo erg om de traditionele structuren eens kritisch te bekijken, de goede kanten ervan te behouden, en de mindere los te laten. Dit proces biedt nieuwe perspectieven en is in zekere zin misschien ook wel een bevrijding.

Ook de reactie en houding van het publiek lijkt sinds het begin van ‘de crisis’ veranderd. Het publiek neemt bewuster waar dat het culturele aanbod en de veelzijdigheid daarvan niet meer zo vanzelfsprekend is als een paar jaar geleden. Ook lijkt het alsof de mensen tijdens de concerten aandachtiger luisteren, de muziek als een spons in zich op zuigen. Het kan komen doordat mensen in deze toch moeilijker tijden meer erkennen wat muziek voor de samenleving in het algemeen betekent, maar ook voor hen persoonlijk.
Mede daarom voel ik een toenemende verantwoordelijkheid ‘echt’ en authentiek in het eigen muzikale scheppen te zijn, steeds trouw aan de muziek te blijven.

Mijn wensen voor de toekomst zijn…

…. dat de cultuur weer de erkenning krijgt die ze verdient en dat haar betekenis voor de samenleving weer op waarde wordt geschat . De kortingen op subsidies en dergelijke hebben overal hun sporen achtergelaten
De positieve invloeden van muziek op de ontwikkeling van het kind maar ook op de samenleving in het algemeen zijn inmiddels voldoende onderzocht en bekend. Muziek heeft een stimulerende invloed op de intelligentie en de sociale ontwikkeling van kinderen en jongeren en een rustgevende werking in allerlei situaties.
Ik hoop op sterke pleitbezorgers, die deze boodschap tegen de stroom in ononderbroken blijven uitdragen, en dat wij daar als artiesten door/met onze kunst een steentje aan mogen bij dragen.

Interview door Monika Treutwein, maart 2015

Why have you become a singer…..

When growing up I was often surrounded by music, at first not in a professional way, but purely for the pleasure of making music together. Singing therefore was a natural thing for me from a very early age. Still I opted initially for medical study – biology and chemistry always had my interest -and then worked for 5 years as a microbiological analyst at a laboratory…. one interesting detail: I was the only one allowed to sing along with the radio during work…!

I always sang in choirs though, and once, during a Christmas concert, when I was asked to sing a solo, a professionally-trained fellow choir member came over to me, and advised me strongly to explore where my vocal talents could still take me. I took her advice, and used the next few months to prepare myself thoroughly – the music theoretical side of things especially needed some work – but it was to my big surprise that when auditioning a few months later for some conservatories in the Netherlands, I was accepted at all of them! I then choose the Sweelinck Conservatory in Amsterdam and started my vocal training with Charles van Tassel.

What fueled your musical development?

My family background:
My older sister was constantly making music with her friends, my mother played the organ, and my father liked singing a lot. His voice has a powerful, but smooth and round sound, and if it were not for the post-war conditions, he could very probably have made a career out of singing.
When I was 8 years old I started flute lessons, and soon began playing in small ensembles and orchestras, thus getting to know lots of different styles of music, and noted again the pleasure it gives to make music together. I could have decided to take my flute playing to a higher level by opting for a conservatory study, but I decided to keep it as a pleasurable hobby, and took a ‘proper’ job of lab-analyst first.
My teachers:
Charles van Tassel was not just my singing teacher, but also a coach, in many areas. He always encouraged me to explore other methods with other vocal teachers, learn other techniques, in order to find the best way to develop my voice personally. Later I continued this path in America, England and Germany with such vocal teachers as Marlena Malas, Diane Forlano and Abbie Furmansky.

Your musical interests are…?

… especially – but not only – baroque music!
My encounter with the musical language of J.S. Bach was a special event for me. Even though I barely knew how to sing it, when I heard his music, I felt right at home. Bach writes so organically, it seemed a another language I unconsciously already spoke, my musical mother- tongue so to speak. From there I started to discover the many aspects of baroque music, and soon this style became my career’s center of gravity.

Of course I do sing Lieder or later contemporary repertoire as well, and I Iove to perform Opera. I even dare state that Opera is one of the finest forms of the arts: singing, moving and acting together is a liberating experience! No other art form is so versatile, so ambivalent as Opera, but the team needs to be a harmonious and balanced one. If that isn’t the case, the three months one is together preparing and performing an opera production can be extremely lonely and tough: opera is one of the finest, most rewarding but also one of the most demanding forms of arts for us singers!

On stage I discover…

… myself again and again!
As a singer our main task is to captivate and convince the audience through a personal interpretation. It still gives me lots of pleasure and happens mostly intuitively. The moment the singer Johannette Zomer takes the stage all excitement and anxiety are converted into positive energy and expression. The private Johannette I would describe as more introvert and reserved. This phenomenon became already clear at my first, and of course very exciting, presentation at the conservatory. Even though I was so nervous I thought I would not be able to perform that evening, as soon as I stepped on stage, I seemed sovereign, and felt completely in my element, much to my own surprise. This experience helped me to make the decision to truly opt for a singing career.

What are you looking forward to?

To increasingly develop and promote my own projects. The founding of my own ensemble the Tulipa Consort in 2013 proved to be such a step.
Of course I hope to be able to sing as long as possible. I started relatively late, and handled my instrument with care right from the start, so the prospect looks favorable. And with an ensemble like the Tulipa Consort, but also with other projects or maybe even my own concert series or festival, I see opportunities to share my view, bring my personal convictions on music and singing to the attention of more and more people. Also teaching Masterclasses creates such a platform.

Do you teach?

I find it very important to share my own experiences with young singers, but also to teach them my views on singing and music in general. For me singing is quite instinctive, and, like speech, something natural. Matters like technique or e.g. resonance of the voice seem less important in my opinion. My starting point is speech and speaking, which we all know how to do. To be able to speak we take breaths and do this without thinking really. My singing has that same instinctive breath at its foundation. This all leads to a natural way of singing, breathing and phrasing.

Which brings us back to Baroque music and Bach. When I sing Bach, my ways of expression, colours, and phrasing literally emerge out of Bach’s text and his musical interpretation of it, giving the voice freedom to do what it naturally wants to do, as if speaking the text, providing answers in a natural way to all sorts of technical and interpretive questions, not just to the matter of Bach but for singing in general. Entirely new means of expression can be developed and one is able to look at the voice in a different, maybe even new way. Again and again I discover that looking at music from its text’s point-of-view can liberate, and let the voice sound at its natural best.

What does a career mean to you?

In the here-and-now it means something quite different than at the beginning of my career. When one starts to work, the ultimate goal for any singer is to sing with as many conductors and orchestras as possible, preferably at as many international venues as possible, and in as broad a repertoire as possible. The danger is to lose one’s musical authenticity and identity though.
The longer I work in this profession, the more important it becomes to concentrate on my personal ‘musical mother-tongue’, to safeguard my unique identity as a singer. I consider myself primarily as a humble intermediary between the composer and the public, and do not want any distraction to get in the way: it is not about me, but about the music.
Therefore I concentrate more and more on repertoire in which I can achieve that artistic goal, and means narrowing the career path down.

What is important to you in addition to music?

…Hiking, cycling, mountains, being in nature…
A few years ago I moved to a beautiful Hanseatic town in the rural east of the Netherlands. Here I am surrounded by nature, and feel energized and freed by the generosity of it. It also provides space for personal development, ideas and thoughts can run free, even if one doesn’t find the time to take a walk every day…

How do you see the current cultural climate?

….Still mainly positive!
In the beginning it was alarming to see that the general crisis with its budget cuts knocked away the foundation under our cultural structures, which made it collapse to a great extent. But now new initiatives seem to arise, bringing new developments and opportunities, with new visions on how culture needs to be funded and organized. Hopefully it will bring a kind of freedom, and we will learn to be less dependent on the former traditional structures.

The reaction and attitude of the public also seem to have changed since the beginning of the crisis. There is a growing awareness that the culture on offer and in its variety are not to be taken for granted as a few years ago. It makes the public more attentive during concerts (they seem to be like sponges, sucking it all up), acknowledging what music means for society in general, but also for them personally.
This is another reason to stay loyal and authentic in the process of expressing myself, and to stay true to the music.

What are your future needs?

That culture gets the recognition it deserves and that its significance to society gets appreciated again. The positive effects of music on the development of children but also to society in general have been adequately studied and known. Music has a stimulating effect on the intelligence and social development of children and youth, and a calming effect in lots of situations.
I wish for strong cultural advocates, who continue to deliver that message against the current trend of monetarised philistinism, and that we, as artists, continue to contribute as well.

Interview by Monika Treutwein, March 2015

Ich bin Sängerin geworden, weil…

… in unserer Familie schon immer musiziert und natürlich auch gesungen worden ist. Nicht professionell, sondern aus Freude am gemeinsamen Musikmachen. Singen war für mich von Kind an etwas ganz Normales und Selbstverständliches.

Trotzdem hatte ich mich zunächst für ein naturwissenschaftliches Studium entschieden, Mathematik und Chemie hatten mich schon immer interessiert, und ich arbeitete danach fünf Jahre als Mikrobiologin in einem Labor. Meine Vorliebe fürs Singen führte damals dazu, dass ich als Einzige im ganzen Labor zu Musik aus dem Radio dazusingen durfte!

Immer habe ich auch in verschiedenen Chören gesungen. Irgendwann zu Weihnachten wurde ich für ein kleines Solo vorgeschlagen, das ich sehr gern übernommen habe. Daraufhin riet mir eine professionelle “Mitsängerin”, an der Hochschule vorzusingen und Gesang zu studieren. Danach erst nahm ich meinen ersten “richtigen” Gesangsunterricht und bestand die Aufnahmeprüfung ein paar Monate später allen drei Hochschulen, an denen ich mich beworben hatte. Entschieden habe ich mich dann für Amsterdam, wo ich bei Charles van Tassel eine wunderbare Ausbildung genossen habe.

Meine musikalische Entwicklung wurde vor allem geprägt …

… von der Familie – von meiner ständig mit Freunden musizierenden älteren Schwester, von der orgelspielenden Mutter und dem im Kirchenchor singenden Vater.

Mein Vater hatte eine kräftige und sehr gute Naturstimme, vielleicht wäre er sogar Sänger geworden, wenn es damals die Zeitumstände der Nachkriegszeit erlaubt hätten.

Meine älteste Schwester studierte Kirchenmusik und arbeitet heute als Organistin und Klavierlehrerin. Ich wollte zunächst aber nicht in ihre Fußstapfen treten und lernte deswegen einen “richtigen” Beruf.

Mit acht Jahren habe ich begonnen Querflöte zu lernen und habe dann sehr bald auch regelmäßig in Ensembles oder kleineren Orchestern gespielt. Dabei habe ich nicht nur ganz verschiedene Musikstile kennengelernt, sondern auch gemerkt, wieviel Spaß es macht, mit anderen gemeinsam zu Musik zu machen. So war für mich Musik immer Hobby und Vergnügen, nie ein “Muss”.

Während meiner Gesangsausbildung habe ich vor allem mit meinem Lehrer Charles van Tassel gearbeitet, der nicht “nur” mein Gesangslehrer war, sondern auch “Coach” in ganz vielen anderen Bereichen. Er hat mich auch ermutigt, zu anderen Lehrern zu gehen, andere Schulen und Techniken kennenzulernen, um genau den Weg zu finden, der für mich der Beste war. Später habe ich mit Lehrern in den USA, Großbritannien und Deutschland gearbeitet. Dabei war Claudia Visca in Wuppertal eine meiner Lehrerinnen, mit der die Zusammenarbeit besonders fruchtbar war und instinktiv harmoniert hat.

Mein musikalisches Interesse gilt …

… vor allem – aber natürlich nicht nur! – der Barockmusik.

Die Musik von J. S. Bach war für mich der Schlüssel zum Singen. Seine Musik ist so organisch wie unsere Sprache und deswegen für mich auch so intuitiv zu singen. Mit Bachs Musik fühlte ich mich immer schon wohl, selbst als ich noch gar nicht wusste, wie Singen “eigentlich geht”.

Bachs Musik ist sozusagen meine musikalische Muttersprache.

Davon ausgehend entdeckte ich die vielen Facetten der Barockmusik, die inzwischen den Schwerpunkt meiner Arbeit bildet.

Trotzdem singe ich natürlich auch Lieder (auch wenn wahrscheinlich niemand Schubert so singt wie ich…) oder späteres Repertoire, zum Beispiel das wunderbare Solo in Mahlers 4. Symphonie ist jedesmal wieder eine großartige musikalische Aufgabe. Es ist ein erhebendes Gefühl, von einem großen Orchester getragen zu werden und durch die eigene Stimme Teil davon zu werden.

Insgesamt merke ich immer wieder, dass mich vor allem die Musik anspricht, in der der Sprache eine besondere Bedeutung zukommt.

Natürlich liebe ich auch die Oper. Wenn die Rahmenbedingungen stimmen, ist es eine der wunderbarsten Musikformen durch die Kombination von Stimme, Bewegung, Szene, Chor, Orchester, Dirigent, Inszenierung. Keine andere Form ist so vielfältig und ambivalent, aber zugleich auch beglückend, wenn die Solisten und das übrige Ensemble in sängerfreundlichen Szenenbildern und einer schlüssigen Regie-Ausdeutung harmonieren.

Gleichzeitig kann eine Opernproduktion eine extrem schwierige Situation sein, wenn die Beteiligten nicht richtig harmonieren und man seinen eigenen und dann manchmal sehr einsamen Weg finden muss, damit umzugehen.

Oper ist eine der schönsten, zugleich aber auch anstrengendsten und forderndsten Musikgattungen für uns Sänger!

Auf der Bühne entdecke ich …

… mich selbst immer wieder neu. Es kommt ja vor allem darauf an, das Publikum durch die eigene Interpretation und Ausstrahlung zu erreichen, zu überzeugen, zu fesseln. Das macht mir unglaublich viel Spaß und “passiert” interessanterweise auch jedes Mal wieder ganz intuitiv.

In dem Moment, in dem die “Sängerin Johannette” in Konzertkleidung die Bühne betritt, wandelt sich alle Nervosität und Aufregung in positive Energie, Ausdruck und Expressivität.

Die “private Johannette” würde ich dagegen eher als introvertiert und zurückhaltend charakterisieren.

Dieses “Phänomen” haben mir viele schon bei meinem allerersten und natürlich sehr aufregenden Vorsingabend an der Hochschule bestätigt. Obwohl ich vorher so nervös war, dass ich dachte, überhaupt nicht singen zu können, wirkte ich auf der Bühne offenbar absolut souverän und überzeugend und fühlte mich – zu meiner eigenen Überraschung – dabei auch richtig wohl.

Auch diese Erfahrung hat dazu beigetragen, dass ich mich letztlich für die Gesangskarriere entschieden habe.

In der Zukunft freue ich mich vor allem darauf, …

… immer mehr eigene Projekte zu entwickeln und umzusetzen.

Die Gründung meines eigenen Barockensembles “Tulipa Consort” 2013 war so ein Schritt, der sich inzwischen als genau richtig erwiesen hat.

Natürlich hoffe ich, möglichst lang singen zu können. Nachdem ich aber relativ spät professionell mit dem Gesang begonnen habe und von Anfang an sehr sorgfältig mit meiner Stimme umgegangen bin, stehen die Chancen dafür hoffentlich ganz gut!

In eigenen Projekten wie meinem Ensemble, vielleicht einem eigenen kleinen Festival und eigenen Meisterkursen sehe ich die Chance, mein “Credo” zum Thema Musik und Singen immer mehr Menschen nahe zu bringen.

Vor allem dem Unterrichten möchte ich mich dabei in nächster Zeit verstärkt widmen.

Beim “Unterrichten” kann ich …

… jungen Sängern meine eigenen Erfahrungen weitergeben, aber natürlich auch meinen Gesangsstil und ganz allgemein meine Auffassung vom Singen und der Musik.

Für mich ist Singen etwas “Instinktives”. Singen war für mich – wie Sprache – immer selbstverständlich und zunächst weniger Frage von Technik, Vibrato oder “Stimmsitz” …

In meinem Unterricht versuche ich, genau das zu vermitteln, was ich selbst gemacht habe und womit ich bis heute so erfolgreich bin: vom Sprechen und der Sprache auszugehen und diese Selbstverständlichkeit des Atmens und “Phrasierens”, diese Natürlichkeit aufs Singen zu übertragen und das Gehirn dabei soweit wie möglich “auszuschalten”.

Damit sind wir wieder bei der Barockmusik und bei Bach, bei dessen Musik ich so sehr gelernt habe, meinen Ausdruck, meine Stimmfarben und Phrasierungen usw. ganz einfach aus der Sprache und Bachs musikalischer Umsetzung zu entwickeln und dem natürlichen Atem zu folgen.

Dadurch kann sich sehr viel Freiheit in der Stimme entwickeln, und mein Herangehen an die Musik und das Singen eröffnet dann einen ganz neuen Zugang zu bestimmten musikalischen Fragen, aber auch ganz allgemein zum Gesang. Dann beginnen wir, neue Ausdrucksmittel zu entdecken, mit der Stimme neu umzugehen, vielleicht ganz andere Farben durch weniger Vibrato zu entdecken, um irgendwann vielleicht zu bemerken, dass wir gerade das eigentlich “Altbekannte” ganz neu erfinden und die Musik jedesmal wieder so spannend ist, als hörten oder sängen wir sie zum ersten Mal!

„Karriere“ bedeutet für mich …

… inzwischen etwas ganz anderes als zu Beginn meiner Sängerlaufbahn.

Zu Beginn der Karriere ist für jeden Sänger das wichtigste Ziel, mit möglichst vielen Dirigenten und Orchestern zu singen – und das auf möglichst vielen, möglichst internationalen Bühnen mit möglichst breitgefächertem Repertoire.

Die Gefahr dabei ist, den Blick auf die eigene musikalische Authentizität und sich selbst zu verlieren.

Je länger ich in dem Beruf arbeite, desto mehr spüre ich, wie wichtig es ist, mich auf meine ganz individuelle “musikalische Muttersprache” zu konzentrieren und sie zu pflegen. Ich sehe mich vor allem als uneitle Vermittlerin zwischen Komponist und Publikum und möchte mich nicht zu mehr ablenken lassen von anderen nur vordergründig wichtigen Dingen.

In diesem Sinn bedeutet Karriere für mich auch, immer mehr zu erspüren, mit welchem Repertoire ich diesem künstlerischen Ziel besonders nahe kommen kann.

Wichtig ist mir neben der Musik …

… Wandern, Berge, die Nordsee-Inseln, das Meer, Radfahren, Einssein mit der Natur.

Ganz bewusst sind wir vor einigen Jahren in eine kleine Hansestadt in der Nähe eines Naturschutzgebiets gezogen. Hier ist man überall und immer von der Natur umgeben, spürt die Großzügigkeit und Freiheit, den unendlichen Raum der Natur, kann sich selbst zu entfalten, den Ideen und Gedanken freien Lauf lassen – selbst wenn man nicht täglich die Zeit hat, wandern zu gehen…

Den heutigen „Kulturbetrieb“ sehe ich …

… durchaus positiv!

Anfangs war ich sehr beunruhigt, dass die allgemeine Krise mit ihren finanziellen Einschnitten im Kulturbereich gewachsene Strukturen zerstören könnten. Aber mir scheint, gerade dadurch ergeben sich auch neue Möglichkeiten – und vor allem neue Blickwinkel auf die Gegebenheiten.

Wenn man die traditionellen Strukturen einer sinnvollen kritischen Prüfung unterzieht, erkennt man diejenigen Aspekte, welche gut daran waren, aber auch, diejenigen, von denen wir uns getrost verabschieden können. Der Blick über den Tellerrand und innovative Ansätze schaffen eine neue Perspektive und so auch eine neue Art von Freiheit.

Auch die Reaktionen und die Haltung des Publikums haben sich seit Beginn der “Krise” erstaunlich verändert. Das Publikum nimmt bewusster wahr, dass das kulturelle Angebot und die Vielfalt nicht mehr so selbstverständlich sind wie vielleicht noch vor einigen Jahren. Mir scheint, die Zuhörer sind inzwischen deutlich konzertrierter als noch und nehmen jedes Tröpflein Musik wie ein Schwamm in sich auf. Möglicherweise liegt das zudem daran, dass die Menschen gerade in schwierigeren Zeiten deutlicher erkennen, welchen Stellenwert die Musik für ihr Leben und ihr individuelles Wohlbefinden hat.

Gerade deswegen spüre ich auch diese zunehmende Verantwortung, “echt” und authentisch zu sein im eigenen musikalischen Schaffen und immer der Musik “treu” zu bleiben.

Für die Zukunft wünsche ich mir, dass …

… die Kultur generell wieder die Aufmerksamkeit bekommt, die sie verdient. Kürzungen von Zuschüssen und Subventionen in allen Bereichen der Kultur haben überall ihre Spuren hinterlassen.

Ich wünsche mir, dass die Verantwortlichen den Wert der Kultur wieder schätzen lernen, ihre Bedeutung für ein soziales Miteinander erkennen und ihr wieder die ihr gebührende Aufmerksamkeit und Unterstützung zukommen lassen.

Die positiven Auswirkungen von Musik auf alle Phasen der kindlichen Entwicklung und des sozialen Miteinanders sind inzwischen hinreichend belegt und bekannt – ihr positiver Einfluss auf die Intelligenz und die soziale Entwicklung von Kindern und Jugendlichen, ihr beruhigender Einfluss in nahezu allen Lebenssituationen.

Ich wünsche mir lautstarke Fürsprecher, die diese Botschaft entgegen aller Widerstände unbeirrt weitertragen und mit denen gemeinsam auch wir Künstler noch mehr Chancen haben, durch unsere Kunst unseren Teil dazu beizutragen, die vielfältigen sozialen und soziokulturellen Herausforderungen im Rahmen unserer Möglichkeiten positiv zu beeinflussen.

Interview Monika Treutwein, März 2015

De Nederlandse sopraan Johannette Zomer werkte eerst enige jaren als microbiologisch analiste alvorens zij in 1990 haar zangopleiding begon bij Charles van Tassel aan het Sweelinck Conservatorium te Amsterdam. In juni 1997 behaalde zij haar diploma Uitvoerend Musicus. En sindsdien ontving ze coaching van Diane Forlano (London) en Marlena Malas (New York).

Het repertoire van Johannette reikt van de Middeleeuwen tot en met de 20e eeuw, met als gevolg een zeer gevarieerde en omvangrijke concertpraktijk. Zij werkte daarom niet alleen met belangrijke barokspecialisten zoals Philippe Herreweghe, Ton Koopman, Frans Brüggen, René Jacobs, Reinard Goebel en Paul McCreesh, maar ook met dirigenten als Kent Nagano, Ivan Fischer, Daniel Harding, Valery Gergiev, Reinbert de Leeuw en Peter Eötvös. Verder geeft Johannette regelmatig recitals met zowel theorbist Fred Jacob als forte-piano specialist Arthur Schoonderwoerd.

Johannette Zomer maakte haar operadebuut bij de Nationale Reisopera in oktober 1996, toen ze de page Tebaldo vertolkte in Guiseppe Verdi’s Don Carlo. Sindsdien stond zij meerdere malen op de operabühne in rollen als Belinda, Pamina, Euridice, Dalinda en Ilia maar ook als Mélisande en Amanda (in Ligeti’s ‘Le Grand Macabre’). In 2008 nam Johannette in een nieuwe kamermuziekversie van Rossini’s Il Turco in Italia bij het Nederlands Blazers Ensemble beide vrouwelijke hoofdrollen voor haar rekening (Zaida en Fiorilla). In 2009 maakte Johannette haar debuut bij de Nederlandse Opera in Ercole Amante van F. Cavalli, onlangs nam zij twee rollen voor haar rekening in Rameau’s Platée o.l.v. René Jacobs, eveneens bij de Nederlandse Opera.

Regelmatig verleent zij medewerking aan CD-opnames. Een paar van haar laatste projecten – alle zeer goed ontvangen in pers en ether; zo noemde het gezaghebbende muziektijdschrift Gramophone haar ‘a new voice to watch’.- zijn de cd met Bach cantates (begeleid door het Engelse ensemble Florilegium) waarvoor zij in 2008 een Edison ontving, de cd L’Esprit Galant, waarop zij met Fred Jacobs de ontwikkeling van het 17e eeuwse Franse lied laat horen en de cd Love & Madness, waarop zij samen met hoboïst Bart Schneemann Händel-aria’s ten gehore brengt.

In 2013 richtte zij haar eigen ensemble het Tulipa Consort op, waarmee zij reeds optrad op de Göttinger Festspiele en met Bart Schneemann in Amsterdam.